Licht
- 10 feb 2022
- 6 minuten om te lezen

Wanneer ik vandaag de deur uitstap richting de Scheldekaaien valt het me op hoe luid de omgeving is. Bulldozers, betonmolens, stroomgeneratoren, allemaal ronkende motors. Hefkranen die piepen, een achteruitrijdende vrachtwagen die zijn geluidssignaal aanzet, de geluiden vallen me op. Ik ben sowieso wel gevoelig aan geluid, maar vandaag is het gewoon opvallend aanwezig. Ook het gebrek aan zuurstof is opvallend aanwezig. De dikke regenwolken zorgen voor een deksel op de stad. De uitlaatgassen van alle ronkende motoren blijven hangen. Het is niet bepaald iets waar ik blij van word. En in de achterkamer van mijn gedachten hoor ik de frustratie zich al opwarmen om mijn gedachtestroom over te nemen. Helemaal paraat is de frustratie wanneer een grote 4X4 niet eens de moeite doet om te vertragen wanneer ik de kaaien oversteek op het zebrapad. Ik spring op de borduur van de overkant en ik voel hoe luchtverplaatsing de linten van mijn regenjas doet wapperen. Je moet al een op een aardige snelheid voorbijrazen om dit effect te bereiken. Zeker sneller dan de toegelaten 50km per uur. Behendig laveer ik tussen de plassen op het nieuw aangelegde fiets- en voetpad om mijn favoriete plekje Scheldekaaien op te draaien. En weg is de frustratie. Kompleet verdwenen. Het heeft iets te maken met de ruimte, de relatieve stilte en het licht.
Het licht geeft licht. Ik weet niet anders hoe het te verwoorden. Ja, er zijn grijze dreigende wolken vol water. Maar daartussen, net tussen het grijs en het water, hangt er een helder wit licht. Het is geen helder zonlicht. Het is eerder het licht dat door een soft-box van een fotograaf schijnt. Het licht dat gefilterd wordt door de wolken en de stuifregen. Als licht al een gevoel kan uitdragen, dan draagt dit licht optimisme uit. Geen radicaal of manifest optimisme. Een rustig optimisme. En het komt mijn lichaam binnen. Het water staat heel hoog, de trap op het hellend vlak staat onder tot aan de gele boeien. Het Schelde-schuim streelt de treden van de trap in een golvende beweging. De Waterbus komt bijna geruisloos voorbij. Ik kijk en luister naar de golfbewegingen en betrap me er op dat ik mezelf herken in het water. Het is alsof de geluiden van de golven een taal spreken die ik bijna kan verstaan. Het is de combinatie van het geluid, de beweging en de esthetiek die me 'aanspreekt'. Ik voel dat geluid, die beweging en die esthetiek. Het ritme en de melodie doen me bewegen. Ik zou het willen dansen... Wat ik nu voel is heel diep de kern van het waarom dat ik ooit ben beginnen dansen. Het is een verwerking van verschillende prikkels om me heen en tegelijk een antwoord op hetgeen wat het met me doet. Het komt voort uit de noodzaak met iets of iemand in dialoog te gaan. En dit heb ik hier ook al eens beschreven. Maar het is belangrijk om af en toe echt terug te grijpen naar de essentie van je handelingen. Vorige week greep ik terug naar intenties. Dat ligt heel erg dicht bij essenties. En ik merk dat ik graag vertoef in het gezelschap van essenties en intenties. Dus neem ik de tijd om deze twee heel aandachtig te beschouwen. Ik sprak vorige week ook al over een les Kunstfilosofie van Thomas Crombez en de tekst van John Ruskin. Die tekst heeft me veel mooie en belangrijke vragen geschonken, waar ik nog lang niet mee klaar ben. Maar het zijn vragen die ik mezelf elke dag dien te stellen. Ben ik een kunstenaar? Of ben ik louter een danser? Is een danser dan geen kunstenaar? Waarom wel? Waarom niet? Diezelfde Thomas Crombez heeft samen met Evelyne Coussens een boekje geschreven 'Wat de danser van de beer had geleerd' en dat heb ik afgelopen week gelezen. In het boek vertrekken ze vanuit een filosofie over de marionet van de Duitse dichter Heinrich von Kleist. Hij zag de sierlijkheid in de marionet, die niet kon nadenken maar volledig automatisch bewoog. Denkt een danser dan best ook niet te veel na? De danser als niet-denker, maar als uitvoerder? En daar kom ik dan weer diep binnenin mezelf tot de grootste paradox in mijn eigen kunst. Net nog heb ik beschreven hoe dans een heel intuïtieve taal is waarin ik mij uitdruk en in dialoog kom te staan met de wereld om mij heen. Maar tegelijk heb ik de meest 'beheerste' taal gekozen om deze intuïtie in vorm te geven, namelijk het ballet. In het boek van Combrez en Coussens wordt ook G.W.F. Hegel zijn visie op dans benoemd. Hij noemt het 'pure behendigheid' en 'de meest verfijnde benenvaardigheid', maar 'extreem betekenisloos'. Nu heb ik het niet met Hegel, dat is geen geheim. Maar als ik echt helemaal eerlijk ben, dan heeft hij ergens wel een punt. Het is een punt waar ik me al heel mijn leven zorgen over maak. En ik ben niet alleen, dat weet ik. Zolang ik me kan herinneren en met een bepaald bewustzijn in het leven stond, wilde ik dansen. Maar zeer weinig bewegingslessen of balletlessen heeft me ooit echt voldoening geschonken. De uitzonderingen zijn op twee handen te tellen. De reden hiervoor ligt in de visie van Hegel en in die van Kleist. Ik ben op zoek naar betekenis door te dansen. Vaak voor mezelf, soms ook voor iemand anders. Dan zet ik mijn lichaam in als medium en komen gedachten, vragen, ideeën van anderen via mijn lichaam in de wereld. Maar de gemiddelde balletles heeft dit niet als doelstelling. Je werkt aan je lichaam en gaat met een hyperfocus op de lichaamsvaardigheid aan de slag. Je benen strekken, tot dat je knie over-strekt is. Gestrekter dan gestrekt, zeg maar. Je voeten zo positioneren dat je lichaam in evenwicht blijft, ook al is het de minst natuurlijke houding ooit. Ik neem nu een loopje met de redelijkheid. Maar er zit grond van waarheid in mijn betoog. Net het ballet is de ultieme vorm van 'benenvaardigheid'. Zelfs wanneer je maanden repeteert aan een balletvoorstelling, ben je nog steeds bezig met het perfectioneren van de vaardigheid. Er komt een deel acteren bij, een deel dramaturgie, en in veel gevallen een verhaal. Maar uiteindelijk blijkt dit bijkomstig aan de fysieke virtuositeit van de danser. We leven niet meer in de 18e eeuw en het ballet is niet meer het romantische ballet uit die tijd. Het hedendaagse ballet is vandaag ook op zoek naar een nieuw evenwicht tussen virtuositeit en artisticiteit. Maar we zien toch nog steeds een nadruk op het esthetische en virtuoze karakter van de dans. Veel hangt samen met de balletopleidingen en de starre houding tegenover leerlingen die een andere vorm van artisticiteit in zich meedragen dan de esthetische.
Is er ruimte voor artistieke ontwikkeling als kunstenaar in een balletopleiding? Let wel, ik heb het hier niet over de hedendaagse dans. Ik heb het over ballet. In de hedendaagse dans vind ik veel intenties en essenties. Maar dat is niet mijn taal. En zo kom ik terug op een vraag die ik vorige week met moeite durfde te stellen. 'Heb ik de verkeerde taal gekozen?'
Ik pas hoegenaamd niet in het fysieke spektakel van het ballet. Maar dat wil ik ook niet.
We zien allemaal de beelden van de benen die zo uitgedraaid en over-strekt zijwaarts bewogen worden, tot achter de eigen schouder. Menig danser heeft dit als ideaal. Ik heb dat nooit gehad. Ik vond dat zelfs niet mooi. Tot grote frustratie van mijn lesgevers.
Mijn balletloopbaan is ook niet steeds van een leien dakje gelopen. Ik was die rare, die speciale. Ik had mooie lijnen, maar werd vaker niet dan wel uitgekozen voor een rol, want fysiek niet virtuoos genoeg. Ik had fysieke capaciteiten, een enorme controle, maar was meer bezig met het waarom dan de perfecte vorm.
Chaos!
Mijn interne paradox bestaat dus al van in het prille begin.
'Heb ik dan de verkeerde taal gekozen?'
Ik kan hier met de beste wil van de wereld geen 'ja' op antwoorden. Omdat ik het niet geloof.
Want net die keren dat ik me gedragen voelde door de taal van het ballet en in dialoog stond met de wereld, blijven me bij als momenten waarvan ik het hemelse niet kan uitgelegd krijgen in aardse woorden. Een soort religieuze openbaring, zonder God.
Ik geloof wel dat ik de juiste taal heb gekozen, maar dat ik ze niet uitspreek hoe ze het best verstaan wordt. Waarschijnlijk spreek ik ze met een zware tongval en druk ik me onhandig uit. Maar het voelt nog steeds als het water aan de Schelde.
Ik ben bijna verstaanbaar.
Zoals het bijna duidelijk voor me is waar al deze vragen en gedachten me naartoe leiden.
Ondertussen blijf ik dansen op de Scheldekaaien en brengt de regen, het water en het ballet me elke week dichter bij het licht.
Bronnen:
Coussens, E., Crombez, T. ( 2018) Wat de danser van de beer had geleerd. letterwerk.
Hegel, G.W.F. (1838) Vorlesungen über die Aesthetik, vol 3. Duncker und Hublot.
Kleist, H. (1810) Vertaald door van Maaren N. (1984) Over het marionettentheater. Hollands Maandblad.






Opmerkingen